Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 2007

Alinea 91 Parket bij de Hoge Raad 18 september 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA7261.

7.10. Uit wat namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd blijkt niet dat verdachte enig advies heeft gevraagd, laat staan dat dat zou zijn geschied bij een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de betrokkene in redelijkheid op de deugdelijkheid van een eventueel advies had mogen vertrouwen. Het verweer komt daarop neer dat de verdachte met bovenbedoelde activiteiten, die behoudens vrijstelling of ontheffing verboden zijn, is begonnen en dat niemand van degenen met wie hij bij zijn bedrijfsvoering in aanraking is gekomen, hem heeft gevraagd of hij deze wel mocht verrichten. Het behoeft geen betoog dat de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte voor zijn handelen niet op deze wijze kan worden afgeschoven op anderen. De omstandigheid dat die anderen niet in de aangegeven zin reageerden op zijn bedrijfsactiviteiten, brengt niet mee dat verdachte wegens rechtsdwaling vrijuit zou behoren te gaan. Ik teken daarbij aan dat het verder nog maar de vraag is of die zakenpartners zicht hadden op wat het zogenaamde vermogensbeheer van verdachte en zijn mededaders precies inhield en dat dezen in beginsel ervan uit zullen en kunnen zijn gegaan dat de verdachte zijn zaakjes goed voor elkaar had.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a739910ca6b816f8d9e305327cf208a3d29cf4894de703d03c23c5810e74fc7f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a739910ca6b816f8d9e305327cf208a3d29cf4894de703d03c23c5810e74fc7f, en de alinea staat in dat document op bytes 34490 tot 35754.