Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 september 2007

Alinea 131 Parket bij de Hoge Raad 25 september 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 september 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA7685.

3 In de toelichting wordt verwezen naar HR 4 april 2006, NJ 2006, 398 ter onderbouwing van de stelling dat van een valse hoedanigheid in onderhavige zaak geen sprake is. Die zaak is echter niet goed vergelijkbaar met de onderhavige. In die zaak had de verdachte met anderen als klusjesman oudere gemakkelijk te overreden mensen ervan overtuigd dat door hem aan huis werkzaamheden moesten worden verricht, om daar vervolgens veel te hoge prijzen voor te vragen. De Hoge Raad oordeelde dat listige kunstgrepen aangenomen konden worden. Voorts was bewezenverklaard dat de verdachte een valse naam had aangenomen. In lijn met het middel oordeelde de Hoge Raad dat dat laatste uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid. Voor het aannemen van een valse hoedanigheid was de verdachte echter niet veroordeeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7c2129bc1b0b6873fdc6bcbaf85ed37d2a7d4a56c393ceb61b31393e26a0516d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7c2129bc1b0b6873fdc6bcbaf85ed37d2a7d4a56c393ceb61b31393e26a0516d, en de alinea staat in dat document op bytes 53953 tot 54772.