Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 september 2007

Alinea 160 Parket bij de Hoge Raad 25 september 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 september 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA7694.

5.4. De bewijsmiddelen houden ten aanzien van de verdachte niet meer in dan dat enkele uren na de overval zijn jas met zijn DNA is aangetroffen in een gebied in Echteld, samen met andere goederen die kennelijk bij de overval zijn gebruikt of buit zijn gemaakt. Het hof heeft kennelijk aannemelijk geacht dat de jas van verdachte is gedragen door een van de overvallers en vervolgens in Echteld is gedumpt. Als het hof vervolgens ten aanzien van de verklaring van verdachte, dat hij niet weet hoe zijn jas daar terecht is gekomen, uit nader onderzoek naar die jas, bijvoorbeeld met betrekking tot de frequentie waarmee en de tijdstippen waarop verdachte deze jas heeft gedragen had overwogen dat het hof het ervoor houdt dat verdachte en niemand anders op de dag van de overval die jas heeft gedragen, nu verdachte in gebreke blijft een aannemelijke en verifieerbare verklaring over het aantreffen van die jas te geven, zou naar mijn inschatting de bewijsvoering de toets der kritiek nog kunnen doorstaan. Het hof heeft evenwel de verklaring van verdachte dat hij niet weet hoe zijn jack in Echteld is terechtgekomen zonder nadere verheldering voor het bewijs gebruikt. Zonder een nadere motivering is deze verklaring niet redengevend voor het bewijs. Daarmee lijkt mij het gat tussen de gebezigde bewijsmiddelen en de bewezenverklaring thans onoverbrugbaar groot te zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d16620fd0cb15391c275186553332da52c17e0434ddf2f7e32573fd2f0ebd02. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d16620fd0cb15391c275186553332da52c17e0434ddf2f7e32573fd2f0ebd02, en de alinea staat in dat document op bytes 42183 tot 43567.