Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007

Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB3733.

18. Voorts bevat het middelonderdeel 3 - in subonderdeel 10 - de klacht dat de in de subonderdelen 8 en 9 aangevoerde omstandigheden voldoende aanleiding voor het hof hadden moeten vormen om [eiseres] in de gelegenheid te stellen om, in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs, aanvullend bewijs te leveren van haar stelling dat zij niet op de hoogte was of kon zijn van de bewuste stukken en daarmee van de bodemverontreiniging. Met zijn in rechtsoverweging 4.8 van zijn eindarrest gegeven oordeel dat, indien de personen van wie de door [eiseres] overgelegde verklaringen hun verklaringen onder ede bevestigen, daarmee nog niet vaststaat dat de betreffende stukken [eiseres] en haar echtgenoot niet op andere wijze hebben bereikt, dan wel dat zij niet op andere wijze daarvan kennis hebben gekregen, heeft het hof een verboden prognose omtrent de bewijslevering gegeven, althans een specificatie verlangd die in het kader van te leveren aanvullend tegenbewijs niet mag worden verlangd, aldus het onderdeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca0b538e973174f36c1032cf46bed03cca8daea8225165fe99af884b7b6ddc46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca0b538e973174f36c1032cf46bed03cca8daea8225165fe99af884b7b6ddc46, en de alinea staat in dat document op bytes 51006 tot 52039.