Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007
Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB3733.
20. Het hof heeft in zijn gewraakte overweging vooropgesteld dat [eiseres] in eerste aanleg slechts één getuige heeft voorgebracht en in hoger beroep verklaringen overlegt waaruit volgens [eiseres] volgt dat zijzelf noch haar echtgenoot de bouwverslagen, de rapportage van Intron en het saneringsplan van 1993 heeft ontvangen en/of daarvan kennis heeft genomen en voorts dat [eiseres] aanbiedt de personen van wie die verklaringen afkomstig zijn onder ede te doen horen. Het hof heeft geoordeeld dat aan dit bewijsaanbod als niet terzake dienende moet worden voorbijgegaan. Ik begrijp 's hofs overwegingen aldus dat het hof kennelijk - het bewijsaanbod uitleggend - heeft geoordeeld dat [eiseres] (die overigens was geconfronteerd met het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.3 van het eindvonnis dat uit de getuigenverklaring van [betrokkene 2] volgt dat [eiseres] in de relevante periode de beschikking had over het rapport van Intron van maart 1988) aan de op haar rustende verplichting tot nadere specificatie in zoverre heeft willen voldoen dat zij heeft aangegeven dat naar haar oordeel uit de door haar overgelegde schriftelijke verklaringen volgt dat zijzelf noch haar echtgenoot de bouwverslagen, de rapportage van Intron en het saneringsplan van 1993 hebben ontvangen en/of daar kennis van hebben genomen, doch dat haar dit niet kan baten nu ook indien de betrokken personen hun verklaringen onder ede bevestigen, daarmee nog niet vaststaat dat de desbetreffende stukken [eiseres] en haar echtgenoot niet op andere wijze hebben bereikt dan wel dat zij niet op andere wijze daarvan kennis hebben gekregen. Het hof heeft aldus kennelijk geoordeeld dat [eiseres]s aanbod voldoende is gespecificeerd waar zij ter adstructie van haar aanbod tot het leveren van nader tegenbewijs aanbood door het onder ede horen van de desbetreffende personen te bewijzen hetgeen in de schriftelijke verklaringen is verklaard, doch het hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat dat aanbod niet ter zake dienende was. Van een verboden prognose is in zoverre geen sprake; evenmin van het eisen van een specificatie die in het kader van het door [eiseres] te leveren aanvullend tegenbewijs niet mocht worden verlangd. De door middelonderdeel 3 genoemde omstandigheden van het geval doen daaraan - mede gelet op het hiervoor bij de behandeling van het in de subonderdelen 8 en 9 betoogde - niet af.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca0b538e973174f36c1032cf46bed03cca8daea8225165fe99af884b7b6ddc46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca0b538e973174f36c1032cf46bed03cca8daea8225165fe99af884b7b6ddc46, en de alinea staat in dat document op bytes 55359 tot 57770.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ca0b538e973174f36c1032cf46bed03cca8daea8225165fe99af884b7b6ddc46 | shasum -a 256