Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 december 2007

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 18 december 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 december 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB6219.

10. In HR 17 februari 2004, NJ 2004, 323 oordeelde de Hoge Raad "dat het enkele bestaan van een lease-overeenkomst er niet aan in de weg behoeft te staan om aan te nemen dat de desbetreffende auto aan de verdachte toebehoort in de zin van art. 33a Sr". Niet helemaal duidelijk is hoe dit oordeel moet worden begrepen. Bedoelde de Hoge Raad dat de civielrechtelijke eigendom niet beslissend is voor de vraag aan wie de auto in strafrechtelijke zin toebehoort? Voor zover dat het geval is, mag de uitspraak denk ik niet doorgetrokken worden naar het conservatoir beslag. Voor de vraag aan wie een voorwerp in de zin van art. 94a Sv toebehoort is als ik de jurisprudentie van de Hoge Raad goed begrijp, het civierechtelijke eigendomsbegrip beslissend.(5) Dat betekent dat dat de civielrechtelijke verhoudingen alleen opzij gezet mogen worden als aan de voorwaarden van art. 94a lid 3 Sv is voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dded2e2f1afaed999dc9f09e3c31b29a7a6921b6a7de9cee69dd91d6b0478d06. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dded2e2f1afaed999dc9f09e3c31b29a7a6921b6a7de9cee69dd91d6b0478d06, en de alinea staat in dat document op bytes 16476 tot 17384.