Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2007

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB7192.

8. De onderhavige procedure betreft een kort geding. Kramer wijst er t.a.p. terecht op dat de bepaling van art. 15 lid 3 van het verdrag niet zonder meer meebrengt dat in een kort gedingprocedure de vereisten van het eerste lid van art. 15 niet van toepassing zijn. De bepaling heeft een veroorlovend, niet een verplichtend karakter. Ook in een kort gedingprocedure moet het derhalve, gezien ook de uit de preambule van het verdrag blijkende doelstelling van het verdrag, van belang worden geacht dat de dagvaarding de verweerder daadwerkelijk en ook tijdig heeft bereikt, zodat de uitzonderingsbepaling van art. 15 lid 3 in beginsel slechts door de rechter wordt toegepast, indien is gebleken van omstandigheden op grond waarvan met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat, niettegenstaande dat geen bewijs van kennisgeving overeenkomstig het verdrag is verkregen, de verweerder daadwerkelijk en ook tijdig kennis heeft kunnen nemen van de dagvaarding. Zie bijv. Pres. Rb Zwolle 11 mei 1983, NIPR 1983, 360, en Pres. Rb 's-Gravenhage 16 juli 1992, NJ 1993, 76 nt. JCS. Anders Pres. Rb Assen 27 juli 1994, NIPR 1994, 371.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2dfa6ef06be35eee354a8d76c8505293d633c823883059ac656765270c1d84bd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2dfa6ef06be35eee354a8d76c8505293d633c823883059ac656765270c1d84bd, en de alinea staat in dat document op bytes 9518 tot 10672.