Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 november 2007
Alinea 119 Parket bij de Hoge Raad 16 november 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB7940.
"Ook het opnemen van dit artikel dient te worden verklaard uit het eigen karakter van de onderlinge betrekkingen binnen het Koninkrijk. Krachtens artikel 2, eerste lid, letter d, wordt de vraag wie voor de toepassing van de Rijkswet zal gelden als inwoner van een der landen, beantwoord aan de hand van de wetgeving van het betrokken land. Indien deze bepaling er toe leidt, dat een persoon moet worden beschouwd als inwoner van meer dan een land, geeft artikel 34 voor de toepassing van het hoofdstuk inzake de vermijding van dubbele belasting een regeling welke dubbele woonplaats beoogt te vermijden. Voor lichaam is dan bepalend waar de werkelijke leiding in een der andere landen is gevestigd. Indien een lichaam is opgericht naar het recht van een der landen, doch de werkelijke leiding in een der landen is gevestigd, zal dit lichaam, indien beide landen het volgens eigen wetgeving als inwoner beschouwen, voor de toepassing van hoofdstuk II (vermijding van dubbele belasting) geacht worden inwoner te zijn van het land waar de werkelijke leiding is gevestigd. Dit heeft tot gevolg, dat de belastingheffing over de winst van dat lichaam slechts in zoverre aan het land waar de statutaire zetel is gevestigd, wordt overgelaten, als die winst aan een vaste inrichting aldaar kan worden toegerekend. Bij houdstermaatschappijen (holdingmaatschappijen), die zijn opgericht naar het recht van een der landen, doch waarvan de werkelijke leiding in een der andere landen is gevestigd, kan zich de omstandigheid voordoen, dat zij in het land van de werkelijke leiding niet worden belast op grond van een daar bestaande vrijstelling voor genoten deelnemingsdividenden. Het lijkt niet bezwaarlijk met het oog op dergelijke gevallen binnen het Koninkrijk de consequenties van de gangbare bepaling van artikel 34, eerste lid, letter b, gedeeltelijk op te heffen door aan het land naar welks recht de maatschappij is opgericht, een beperkte mate van belastingheffing van de maatschappij over te laten, waarbij de vraag of aldaar een vaste inrichting van de maatschappij aanwezig is, geen rol speelt. De belasting van laatstbedoeld land mag 4 pct. van de winst van de houdstermaatschappij niet te boven gaan. De omstandigheid dat aan het land naar welks recht de maatschappij is opgericht, een beperkte mate van belastingheffing is overgelaten, beperkt in geen enkel opzicht de belastingheffing van het land waar de werkelijke leiding zich bevindt. Met name is laatstbedoeld land - zo het tot belastingheffing van de winst van de houdstermaatschappij overgaat - niet verplicht tot enige vermindering of vrijstelling van belasting ter zake van de belastingheffing in het land van het recht van oprichting."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f81bb2fb91ba18958981ef558acd790d94dad26f119ab1fd622a01e173905c92. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f81bb2fb91ba18958981ef558acd790d94dad26f119ab1fd622a01e173905c92, en de alinea staat in dat document op bytes 49931 tot 52642.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f81bb2fb91ba18958981ef558acd790d94dad26f119ab1fd622a01e173905c92 | shasum -a 256