Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 december 2008

Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 2 december 2008

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 december 2008, ECLI:NL:PHR:2008:7.

22. Uit het voorgaande vloeit voort dat het oordeel van de Rechtbank dat zich geen uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een inbreuk op het verschoningsrecht rechtvaardigen onvoldoende is gemotiveerd. Dat klemt temeer wanneer in aanmerking wordt genomen dat zich hier een geval voordoet waarin de in art. 2 en 3 EVRM gewaarborgde rechten op bescherming van het leven en tegen "ill-treatment" in het geding zijn. Weliswaar gaat het hier niet om een rechtstreekse inbreuk door de staat op het leven en/of de gezondheid van [het slachtoffer], maar deze bepalingen leggen op de staat ook de plicht burgers te beschermen tegen inbreuken op het recht op leven en tegen ill-treatment door medeburgers.(8) Bovendien leggen deze bepalingen de plicht op de staat in geval van inbreuk op de art. 2 en 3 EVRM te voorzien in doeltreffende strafrechtelijke handhaving van de in de art. 2 en 3 voorziene rechten.(9) Wetgeving die daaraan in de weg staat, zoals onverkorte handhaving van het beroepsgeheim van de arts, valt daarmee niet wel te verenigen.(10)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/216faa2e185ff61dd39051942a0e505935daef9217c2f6f772446144ce925f93. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 216faa2e185ff61dd39051942a0e505935daef9217c2f6f772446144ce925f93, en de alinea staat in dat document op bytes 34072 tot 35132.