Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2008

Alinea 65 Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2008

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA7674.

Ik breng in herinnering dat de bedoeling van de Wet van 8 mei 2003, Stb. 202 met de invoering van het derde lid van artikel 94a Sv is geweest om efficiënter tegen schijnconstructies op te kunnen treden. Maar in de rechtspraak was de mogelijkheid al erkend dat degene onder wie een zaak in beslag was genomen niet de werkelijke rechthebbende was, ook al werd die schijn wel door betrokkenen opgehouden. Deze gevallen zijn te rangschikken onder de eerste categorie. Als de invoering van het derde lid zou betekenen dat iedere schijnconstructie enkel via dat derde lid zou kunnen worden aangepakt zou dat, door de eisen die dat derde lid extra stelt, juist niet het doel kunnen dienen dat aan de wetgever voor ogen stond. Denk maar aan de goederen die in zo'n schijnconstructie betrokken worden, maar geen relatie hebben met het misdrijf. Zulke goederen zouden niet meer in beslag kunnen worden genomen ter verzekering van de mogelijkheid van verhaal omdat iedere schijnconstructie via het derde lid moet worden behandeld. Zo een consequentie lijkt mij ongewenst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/690aebd36d676c7cb8e7e1a3ffee208e3f80af1d8efdb779a5947d461fd58bc2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 690aebd36d676c7cb8e7e1a3ffee208e3f80af1d8efdb779a5947d461fd58bc2, en de alinea staat in dat document op bytes 31201 tot 32275.