Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2008

Alinea 195 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2008

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC7421.

's Hofs oordeel omtrent dit onderdeel van dit verweer geeft, mede in aanmerking genomen art. 8, tweede lid, EVRM geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat de dringende noodzaak waarvan het Hof spreekt is gelegen in de verdenking dat ernstige oorlogsmisdrijven zijn begaan (en dat dit voldoende is), lijkt mij juist. Niet kan de eis worden gesteld, zoals het middel kennelijk wil, dat die feiten al zouden moeten vaststaan. Wie anders dan een rechter zou dat trouwens kunnen beoordelen? Evenmin is relevant dat de Staatssecretaris van Justitie die het beleid heeft vorm gegeven, geen onafhankelijke instantie is. Op de Nederlandse staat ligt de zwaarwegende verplichting om feiten als de onderhavige tegen te gaan, te onderzoeken en zo mogelijk te vervolgen. Dat kan in concreto betekenen dat iemand als de verdachte niet wordt uitgezet naar het land van herkomst vanwege het lot dat hem daar - gelet op zijn positie en werkzaamheden als functionaris ten behoeve van het vroegere repressieve regiem - vermoedelijk wacht. Aldus kunnen mogelijke of waarschijnlijke toekomstige schendingen van mensenrechten worden tegengegaan. Maar de bescherming die de betrokkene aldus geniet tegen kort gezegd het gevaar voor schending van zijn mensenrechten, behoort hem niet te vrijwaren van een aansprakelijkheidsstelling voor oorlogsmisdrijven die hij in zijn vroegere functie heeft begaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d89190225475fe420ac93680fb045b655f445b2802d67340b207f03f885fc78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d89190225475fe420ac93680fb045b655f445b2802d67340b207f03f885fc78, en de alinea staat in dat document op bytes 86397 tot 87821.