Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2008
Alinea 130 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2008
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC7921.
4.6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De vraag of uit bepaalde feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat een strafbaar feit wordt gepleegd is van feitelijke aard en een zodanig oordeel van de feitenrechter kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.(5) Op grond van het eerste lid van art. 27 Sv wordt in de opsporingsfase als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. De omstandigheden moeten naar objectieve maatstaven gemeten voldoende grond opleveren voor de verdenking van het plegen van een strafbaar feit.(6) Of sprake is van een redelijk vermoeden wordt daarbij in belangrijke mate aan de beoordelingsvrijheid van de opsporingsambtenaar overgelaten. De feitenrechter moet derhalve nagaan of de opsporingsambtenaar, gemeten aan hetgeen ten tijde van zijn optreden bekend was, tot de conclusie kon komen dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.(7)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3edbbd71b9d390e879ece07c996616db63245e1156fffa2c7cbd5aa4a2bf499f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3edbbd71b9d390e879ece07c996616db63245e1156fffa2c7cbd5aa4a2bf499f, en de alinea staat in dat document op bytes 39730 tot 40827.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3edbbd71b9d390e879ece07c996616db63245e1156fffa2c7cbd5aa4a2bf499f | shasum -a 256