Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2008

Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2008

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC9015.

Verschillende uitleveringsverdragen kennen de mogelijkheid dat de verzoekende staat de aangezochte staat verzoekt om voorwerpen, die in het bezit van de opgeëiste persoon zijn aangetroffen, in beslag te nemen (zie verder ook voor wat betreft aan Nederland gedane verzoeken de artt. 46 en 47 van de Uitleveringswet). Bij de beslissing over het verzoek tot uitlevering beslist de rechter dan tevens over de afgifte van die voorwerpen aan de verzoekende staat. Een dergelijke regeling kent ook de Overleveringswet in de artt. 49 en 50.(3) Zie ook art. 29 van het Kaderbesluit van de Raad (2002/584 JBZ) van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Laatstgenoemde bepaling gaat ervan uit dat de inbeslaggenomen voorwerpen - naar kan worden aangenomen in beginsel tegelijk met de overlevering van de gezochte persoon - worden overgedragen aan de uitvaardigende lidstaat, in dit geval Nederland. Dat is hier, aangenomen dat de gestelde inbeslagneming door de Spaanse autoriteiten inderdaad heeft plaatsgevonden, kennelijk (nog) niet gebeurd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ee4def03532d478223ce58579562a065fd1da59667c437b68ae9dc5ff9f0988. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ee4def03532d478223ce58579562a065fd1da59667c437b68ae9dc5ff9f0988, en de alinea staat in dat document op bytes 10639 tot 11758.