Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2008
Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2008
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD1494.
4.11. In rov. 5 stelt het hof vast dat [eiser]' vorderingen alle hun grondslag vinden in gesteld kennelijk onredelijk dan wel onregelmatig ontslag, en dat tussen partijen niet in geschil is dat die vorderingen aanhangig zijn gemaakt ná het verstrijken van de daarop ingevolge art. 7:683 lid 1 BW toepasselijke verjaringstermijn van zes maanden. De brief van 16 september 2004 is daarentegen tijdig, d.w.z. vóór de afloop van de verjaringstermijn door Trio ontvangen. Het hof vervolgt in rov. 6 dat het in hoger beroep gaat om beoordeling van de stelling van [eiser] dat de brief van 16 september 2004, voor zover nodig in samenhang met zijn brief van 19 maart 2004 en de brief van 25 maart 2004 van FNV, voldeed aan de eisen van art. 3:317 lid 1 BW.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1f512607f46b82289646ba69a572425c2431ae6d8c07d0345cd82366e22e00fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1f512607f46b82289646ba69a572425c2431ae6d8c07d0345cd82366e22e00fd, en de alinea staat in dat document op bytes 20952 tot 21718.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1f512607f46b82289646ba69a572425c2431ae6d8c07d0345cd82366e22e00fd | shasum -a 256