Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2009

Alinea 100 Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BB3371.

5.14. (...). Het Hof heeft belanghebbende bij brief van de griffier van 28 oktober 2004 en ter zitting van 2 december 2004 in de gelegenheid gesteld gronden aannemelijk te maken die tot een heropening van het onderzoek zouden hebben te leiden. Dit heeft ertoe geleid dat belanghebbende bij brieven van gemachtigde van 19 november 2004 en van 28 december 2004 nadere stukken heeft toegezonden. De vraag is nu of op grond van de na de zitting van 22 september 2004 door belanghebbende overgelegde stukken aannemelijk is te achten dat de inspecteur niet naar behoren heeft voldaan aan het verzoek van het Hof in voormelde brief van 30 oktober 2003 en of ook overigens de nader door belanghebbende ingebrachte stukken nopen tot een nader onderzoek. Bij de beantwoording van deze vraag neemt het Hof in aanmerking dat niet alle besprekingen die in 1999 en 2000 inzake de omwisseling van aandelen in B-dakpanfondsen met de Belastingdienst zijn gevoerd, relevant zijn voor een beoordeling van de vaststellingsovereenkomst. Zoals onder meer blijkt uit de onder 2.10 en 2.11 aangehaalde verklaringen van E en F zijn er ook besprekingen gevoerd die niet tot een overeenkomst hebben geleid, onder meer omdat de resultaten daarvan op 4 januari 2000 in een bijzondere aandeelhoudersvergadering van O zijn verworpen. Vervolgens zijn inzake A en B nieuwe dan wel nadere besprekingen gevoerd die hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst. Het zijn de op de totstandkoming van deze overeenkomst betrekking hebbende stukken welke het Hof bij brief van de griffier van 30 oktober 2003 de inspecteur heeft verzocht te overleggen, aan welk verzoek de inspecteur - zij het niet onvoorwaardelijk - bij zijn brief van 4 december 2003 heeft voldaan. Stukken die betrekking hebben op andere of eerdere besprekingen dan die welke hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst acht het Hof voor een beoordeling van het onderhavige geschil in beginsel niet relevant, omdat - naar het Hof op grond van onder meer de hiervoor vermelde verklaringen van E en F aannemelijk acht - de vaststellingsovereenkomst zich van de eerdere, ook ter zake van O en N onderhandelde overeenkomsten onderscheidt, doordat deze niet heeft geleid tot het ontstaan - en derhalve evenmin tot de afwikkeling - van een dividendbelastingclaim, zoals in de gevallen van O en N aan de orde zou zijn geweest, maar uitsluitend van een door partijen voorziene vennootschapsbelastingclaim.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/175aaaeb1774169be3b7698c213f128f090cb6607ddadfb43b8bb59dd96c806c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 175aaaeb1774169be3b7698c213f128f090cb6607ddadfb43b8bb59dd96c806c, en de alinea staat in dat document op bytes 31395 tot 33840.