Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2009
Alinea 377 Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BF1321.
50. Het beroep dat de aanvrager doet op schending van het recht op een eerlijk proces zoals gegarandeerd in art. 6, eerste en derde lid, EVRM versta ik aldus dat de aanvrager betoogt dat er nieuwe omstandigheden zijn gebleken die het ernstige vermoeden doen ontstaan dat het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot niet ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als deze omstandigheden aan het Hof bekend waren geweest. Het gaat - zoals ik hiervoor onder 47 en 48 heb uiteengezet - om informatie die niet het ernstig vermoeden wekt dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof daarmee bekend was geweest. De aanvrage vermeldt geen enkele bewijsmiddel waaruit kan blijken dat welbewust ontlastend materiaal aan de aanvrager is achtergehouden. Tijdens de mondelinge toelichting is daarnaar ook niet verwezen. Het rapport van de CEAS vormt daarvoor ook geen grondslag. Integendeel in § 8.3 stelt de CEAS vast dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe7de6104965e838113a57b4fd513c783aae3e5f82c2252bab224494032e962f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe7de6104965e838113a57b4fd513c783aae3e5f82c2252bab224494032e962f, en de alinea staat in dat document op bytes 119847 tot 120945.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fe7de6104965e838113a57b4fd513c783aae3e5f82c2252bab224494032e962f | shasum -a 256