Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2009

Alinea 400 Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BF1321.

70. De aanvrager wijst er nog op dat [betrokkene 4] na de sluiting van het proces-verbaal op 11 april 2000 een brief gedateerd 1 december 2000 aan één van de rechercheurs heeft geschreven, waarin zij een aantal voorvallen beschrijft die plaatsvonden tijdens de twee periodes dat zij bij haar vader haar intrek had genomen. [Betrokkene 4] is daarover op dezelfde dag als getuige gehoord door de politie. Blijkens het CEAS-rapport verschilt het proces-verbaal van dit getuigenverhoor op een aantal punten met de inhoud van de brief van 1 december 2000, met name daar waar de halfzus in haar brief schrijft over een voorval binnen het gezin met betrekking tot [slachtoffer 1] waar zij als halfzus wetenschap van heeft. In het getuigenverhoor van 1 december 2000 komt echter naar voren dat de halfzus dit voorval niet zelf heeft gezien, maar dat [slachtoffer 1] haar dat indertijd heeft verteld. De aanvrager betoogt dat nu deze brief zich niet in het procesdossier bevindt de rechter van deze tegenstrijdigheid geen kennis heeft kunnen nemen en daardoor geen volledig oordeel heeft kunnen vormen over de betrouwbaarheid van hetgeen de halfzus in haar brief van 1 december 2000 heeft vermeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe7de6104965e838113a57b4fd513c783aae3e5f82c2252bab224494032e962f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe7de6104965e838113a57b4fd513c783aae3e5f82c2252bab224494032e962f, en de alinea staat in dat document op bytes 137000 tot 138203.