Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009
Alinea 201 Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4156.
9.17. Ervan uitgaande dat art. 6 EVRM van toepassing is op geschillen over de berekening van (zeer hoge) betekeningskosten, rijst de vraag of het onweerlegbare bewijsvermoeden ex art. 7(2) Kostenwet verenigbaar is met een fair hearing ex art. 6(1) EVRM. Over bewijsregels ten nadele van burgers bestaat vooral strafjurisprudentie in verband met de onschuldpresumptie art. 6(2) EVRM. Uit de zaak Schenk(74) voor het EHRM blijkt dat art. 6 EVRM op zichzelf geen regels stelt over de toelaatbaarheid van bewijs, dus ook niet over de niet-toelaatbaarheid van tegenbewijs. Aangezien u recent nog door mijn ambtgenoot Niessen(75) bent voorgelicht over de voor de toelaatbaarheid van bewijsvermoedens richting gevende zaken Salabiaku,(76) Pham Hoang,(77) Passet,(78) en Västberga,(79) volsta ik met het aanhalen van de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak Falk(80), die de jurisprudentie in strafzaken over bewijsvermoedens als volgt samenvat:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824, en de alinea staat in dat document op bytes 84141 tot 85093.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824 | shasum -a 256