Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009
Alinea 248 Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4156.
12.2. De minst vergaande ingreep is het - op grond van art. 93 en 94 Grondwet - gedeeltelijk buiten toepassing laten van art. 7(2) Kostenwet, in die zin dat tegenbewijs toegelaten wordt. Dan rijst wel de vraag hoe degene die iets niet ontvangen heeft, aannemelijk kan maken dat hij iets niet ontvangen heeft. Belastingschuldigen met een postregistratiesysteem maken hier wellicht een goede kans. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) eist in haar rechtspraak over verzending en ontvangst van beschikkingen in verband met de aanvang van de rechtsmiddeltermijn dat de betrokkene op 'niet ongeloofwaardige wijze' de ontvangst ontkent, hetgeen meer moet inhouden dan een 'blote ontkenning.'(91) Uw rechtspraak lijkt - net als die van de CRvB(92) - in zaken over verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen tegemoetkomender te zijn dan die van de ABRvS: in HR BNB 2006/109,(93) had de feitenrechter geoordeeld dat de enkele stelling dat de aanslag nooit is ontvangen niet kan leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. U vond dat iets te stellig:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824, en de alinea staat in dat document op bytes 109768 tot 110864.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824 | shasum -a 256