Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009
Alinea 264 Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4156.
12.6. Mijn voorkeur zou het hebben om, totdat de wetgever zijn beleidskeuze heeft gemaakt, voorlopig in concreto rechterlijk rechtsherstel te verlenen door middel van de minst vergaande ingreep op basis van onverenigbaarheid met het EVRM: weliswaar het bewijsvermoeden van art. 7(2) Kostenwet in stand laten, maar de belanghebbende toelaten tot tegenbewijs bij de feitenrechter, dat wil zeggen tot 'niet-ongeloofwaardige ontkenning' van ontvangst van zowel twee voorlopige aanslagen als twee aanmaningen (als twee betalingsherinneringen?). De rechtbank heeft zich in wezen al uitgelaten over een dergelijk betoog, maar het Hof niet.(97) Al vertoont vernietiging en verwijzing op deze grond in casu mogelijk de trekken van een dode mus, het gaat nu even om het principe.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824, en de alinea staat in dat document op bytes 119867 tot 120650.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/00a2eee9d1ddf9f83148fc37014ade86c254b03290cf02ea609d63e253821824 | shasum -a 256