Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2009

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG6607.

6. Ik ben van oordeel dat de maatstaf genoemd in de arresten, waarnaar door de steller van het middel wordt verwezen, niet van toepassing is in het onderhavige geval, aangezien in deze zaken de vraag aan de orde was wanneer voor de rechter een onderzoeksplicht bestaat naar aanleiding van een door de verdediging gedane beroep op het verbod tot verzwaring van de strafrechtelijke positie van de veroordeelde. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 september 2003, NJ 2004, 43 (r.o. 3.3), met zoveel woorden uitgemaakt dat de rechter zo een beroep slechts dan behoeft te onderzoeken en daaromtrent een met redenen omklede beslissing dient te geven, indien door of namens de veroordeelde is aangevoerd dat en waarom het tijdstip waarop hij naar het recht van de Staat waar hij is veroordeeld in vrijheid zal worden gesteld, met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcf5f44e2017449b2fd4ba5f98651e84b67a4b8bf6d522a5ada03339f83d6294. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcf5f44e2017449b2fd4ba5f98651e84b67a4b8bf6d522a5ada03339f83d6294, en de alinea staat in dat document op bytes 19095 tot 19997.