Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2009

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 februari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH2413.

15. Ik ben er in het voorgaande van uitgegaan dat de geconstateerde schending van art. 8 EVRM tot bewijsuitsluiting van de bandopnames dient te leiden. Een uitgemaakte zaak (zo merk ik min of meer ten overvloede op) lijkt mij dat intussen niet. Dit in het bijzonder omdat het verzuim geen invloed lijkt te hebben gehad op de betrouwbaarheid van de bandopnames. Dat is in elk geval niet het punt waarover het EHRM is gevallen. Daar komt bij dat het EHRM de inbreuk op de privacy niet disproportioneel heeft geoordeeld. Het Hof overweegt uitdrukkelijk dat de hulp van de justitiële autoriteiten aan een getuige om diens verklaringen te onderbouwen, geboden kan zijn. Het punt is "slechts" dat daarvoor een goede wettelijke regeling nodig is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2b3a2ef29ca87bf3e3803037392f77c7a9e00c40f73925b08d61c1cc8e499ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2b3a2ef29ca87bf3e3803037392f77c7a9e00c40f73925b08d61c1cc8e499ee, en de alinea staat in dat document op bytes 17356 tot 18109.