Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 235 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

9.12 Nu was het "oneigenlijke" gebruik van de bevoegdheid om buitenplaatsen aan te wijzen (het gebruik van die bevoegdheid om afhandeling van zaken door een ander dan het relatief bevoegde gerecht feitelijk mogelijk te maken) onder het oude recht niet geheel onbekend. Het ging daarbij echter om een aparte figuur, met een eigen specifieke wettelijke grondslag, die aanvankelijk niet in de Wet RO werd gevonden, maar in de Vreemdelingenwet (hiervoor, punt 6.3 e.v.). Van een ontduiking van de wettelijke bevoegdheidsregeling was daarbij geen sprake. Integendeel, de mogelijkheid om zaken buiten het arrondissement af te handelen werd door de wetgever juist gezien als het noodzakelijke complement van de concentratie van de rechtsmacht bij de Rechtbank 's-Gravenhage. Het was aanvankelijk de wetgever zelf die de nevenzittingsplaatsen aanwees.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 111998 tot 112854.