Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 283 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

10.21 Dan kom ik nu toe aan de vraag of en zo ja in hoeverre het processuele kader beperkingen stelt aan een beroep op de onverbindendheid van de artt. 7 en 8 Besluit. Ter sprake kwamen reeds de artt. 110 lid 1 en 270 lid 1 Rv. In dagvaardingszaken moet een beroep op de relatieve onbevoegdheid vóór alle verweren ten gronde worden gedaan. In verzoekschriftprocedures geldt dat partijen van verwijzing naar de relatief bevoegde rechter kunnen afzien. Bij Wet van 8 september 2005, Stb. 455 werd aan art. 110 lid 1 Rv een tweede volzin toegevoegd, inhoudende dat de rechter in zaken betreffende kleine vorderingen en zaken betreffende arbeids-, huur- en consumentenovereenkomsten ook zonder daartoe strekkend verweer beoordeelt of hij relatief bevoegd is.(78) In andere zaken behoeft de rechter dit dus niet ambtshalve te beoordelen. Of de relatieve onbevoegdheid van de rechter consequenties heeft, hangt in het burgerlijk procesrecht dus in belangrijke mate af van de opstelling van de procespartijen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 149155 tot 150172.