Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 298 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

10.26 Met het beroep op de onverbindendheid van de artt. 7 en 8 Besluit is het mijns inziens niet anders. Ook hier geldt dat de belangen die door de onwettige omzeiling van de relatieve competentie zijn geschonden, moeten worden afgewogen tegen de belangen die door strikte handhaving van de competentieregels worden geschonden. Daarmee wil overigens niet gezegd zijn dat de onverbindendheid van de artt. 7 en 8 Besluit in de sleutel van de relatieve onbevoegdheid moet worden gezet. De vraag hoe dit legislatief tekort doorwerkt in het systeem van de strafvordering is als gezegd een vraag apart, die in de volgende paragraaf aan de orde komt. Hoe dat in het civiele recht en het bestuursrecht zit, laat ik rusten. Voldoende is hier om te constateren dat niet uitgesloten is dat bepalingen als vervat in 110 lid 1 Rv en 46 Wet op de Raad van State - al dan niet analoog - van toepassing zijn op een beroep op de onwettigheid van de zittingsplaats. Als gekeken wordt naar de achterliggende belangen is er in elk geval nauwelijks een verschil.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 159955 tot 161010.