Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 299 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

10.27 In het strafprocesrecht ontbreken wettelijke bepalingen als te vinden zijn in art. 110 Rv en art. 46 Wet op de Raad van State. Wel kan gezegd worden dat dergelijke bepalingen met het stelsel van strafvordering en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten niet in strijd zouden zijn, zoals art. 349 lid 2 (oud) Sv illustreert.(87) Niet ondenkbaar is dan ook - ik zeg het voorzichtig - dat de Hoge Raad niet ambtshalve zal casseren als de regels van de relatieve competentie zijn geschonden. Maar of de Hoge Raad een uitdrukkelijk beroep daarop dat voor het eerst in cassatie wordt gedaan, kan passeren omdat het tardief zou zijn, is de vraag. Het openbare orde-argument brengt wellicht mee dat voor deze vorm van rechtsverwerking een uitdrukkelijke grondslag in de wet is vereist.(88) Ik merk daarbij weer op dat nog niet gezegd is dat een beroep op de onwettigheid van de nevenzittingsplaats in de sleutel moet worden gezet van de relatieve competentie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 161030 tot 162009.