Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 301 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

10.29 Stel de verdachte was in de onderhavige zaak door het Hof 's-Gravenhage, zittinghoudend te Arnhem, vrijgesproken. Stel voorts dat het OM van deze vrijspraak in cassatie was gegaan en daarbij als middel van cassatie had opgevoerd dat het Hof niet in Arnhem had mogen rechtspreken aangezien art. 7 Besluit onverbindend is. Dient de Hoge Raad dit middel dan gegrond te verklaren omdat voor enige relativering van de gevolgen van de onverbindendheid geen plaats is? Of wordt de verdachte daarmee onrecht aangedaan en mag dat zwaarder wegen? Dezelfde vraag zou gesteld kunnen worden als het Hof zich na een lang en - ook voor de verdachte - slopend proces ambtshalve onbevoegd zou verklaren omdat in Arnhem geen zitting mocht worden gehouden. De reactie dat het Hof dat maar eerder had moeten bedenken, zou dan niet onbegrijpelijk zijn. De gang van zaken verdraagt zich in elk geval slecht met het recht van de verdachte op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 162403 tot 163401.