Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009
Alinea 332 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.
De conclusie was vervolgens dat geen van de genoemde grondwetsartikelen was geschonden. Enige toegevoegde waarde leek de Hoge Raad aldus niet aan het in art. 156 neergelegde ius de non evocando toe te kennen. Het hoeft zogezien niet te verbazen dat er stemmen opgingen om de bepaling uit de Grondwet te schrappen.(95) De Grondwetgever van 1983 handhaafde evenwel de bepaling. De toelichting was summier. De regering was met de Staatscommissie van oordeel dat het beginsel "voldoende betekenis" heeft om in de Grondwet gehandhaafd te worden. "De bepaling heeft praktische betekenis en wordt in de rechtspraak toegepast (...)".(96) Gedoeld werd op onder meer HR 8 juni 1951, NJ 1952, 144, waarin met een beroep op wat toen art. 170 lid 1 Gw was een stokje werd gestoken voor het algemeen verbindend verklaren van CAO's waarin arbitragebedingen waren opgenomen.(97) Hoewel deze wetsgeschiedenis daarvoor niet direct steun biedt, is in de literatuur aan het tot grondrecht gepromoveerde ius de non evocando een veel ruimere strekking toegedicht dan waarvan de Hoge Raad in 1904 uitging.(98) Zo wordt door sommige schrijvers betoogd dat art. 17 Gw vordert dat de samenstelling van de kamer die een concrete zaak behandelt door algemene regels moet worden bepaald. Daarbij past de volgende waarschuwing: "Of de rechter zich aan zulk een extensieve, zo niet willekeurige interpretatie zal wagen, moet men maar afwachten".(99) Intussen is de Hoge Raad sinds 1904 wel iets opgeschoven. Uit HR 20 december 1991, NJ 1992, 180 inzake het Moduulbesluit valt af te leiden dat art. 17 Gw ook van toepassing is op (bij AMvB aangebrachte) veranderingen in de rechtsgang bij de burgerlijke rechter.(100) Het ging hier dus niet om het toekennen van rechterlijke bevoegdheid aan een administratieve macht. In HR 29 april 1997, NJ 1998, 189 had de Politierechter, in strijd met art. 515 lid 1 Sv, zelf op het wrakingsverzoek beslist. Volgens de Hoge Raad diende dit verzuim tot nietigheid te leiden van het onderzoek in eerste aanleg. Hij nam daarbij "hetgeen is bepaald in art. 17 Gw" in aanmerking. Het grondwetsartikel beschermt zogezien ook tegen de rechter. Elke ingreep in de "bij de wet opengestelde rechtsgang" lijkt onder het bereik van art. 17 Gw te vallen.(101)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 188852 tot 191116.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d | shasum -a 256