Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 336 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

12.6 Ik teken daarbij nog het volgende aan. Art. 110 lid 1 Rv bepaalt zoals wij zagen dat het recht om zich op de relatieve onbevoegdheid te beroepen vervalt als dat beroep niet vóór de verweren ten gronde wordt gedaan. Die uitdrukkelijke wetsbepaling is niet in strijd met art. 17 Gw omdat zij deel uitmaakt van de wet die de rechter toekent. Anders gezegd: als een tijdig beroep op de onbevoegdheid uitblijft, is de behandelende rechter de rechter die door de wet aan de betrokken partijen wordt toegekend. Welnu, de vraag of gebreken in de dagvaarding tot de nietigheid van die dagvaarding moeten leiden, heeft de wetgever uitdrukkelijk aan het oordeel van de rechter willen overlaten. Als dan de rechter, gebruikmakend van die hem door de wet gelaten vrijheid en op basis van een belangenafweging die recht doet aan de uitgangspunten en grondbeginselen van het wettelijk stelsel, in voorkomende gevallen de nietigheid van de dagvaarding voor gedekt houdt omdat de verdachte daarop redelijkerwijs eerder een beroep had kunnen doen, kan eveneens gezegd wordt dat de verdachte wordt berecht door de rechter die de wet (zoals die moet worden uitgelegd en toegepast) hem toekent.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 196000 tot 197193.