Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 381 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

12.24 Bij haar onderzoek naar de grondwettigheid van de Arbeitsgerichte wijst de Commissie er in de zaak Zand op dat deze kwestie in de onderhavige zaak beoordeeld ("considered") was door de verschillende rechterlijke instanties (waaronder de Hoge Raad), dat die gerechten zich baseerden op eerdere jurisprudentie en dat geen van hen "expressed any doubts" met betrekking tot de grondwettigheid. Dat brengt de Commissie tot de conclusie dat er "no appearance" is dat de Oostenrijkse grondwet is geschonden. Daarin kan niet gelezen worden dat de enkele schijn van ongrondwettigheid al voldoende is om strijd met art. 6 EVRM aan te nemen. Daarin kan evenmin gelezen worden dat het oordeel van de (hoogste) nationale rechter zonder meer beslissend is. Ik lees in de overwegingen van de Commissie dat het standpunt van de nationale gerechten (niet meer dan) een indicatie vormt dat van strijd met de constitutie geen sprake is. Als één van de lagere gerechten "any doubts" had geuit, was er mogelijk wel een "appearance" van ongrondwettigheid geweest. Dat was dan reden geweest om de kwestie nader te onderzoeken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 226444 tot 227568.