Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Alinea 405 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.

12.39 Eén en ander kan worden geconcretiseerd aan de hand van art. 110 lid 1 Rv (zie hiervoor, onder 10.6). De procespartijen verspelen hier hun recht op behandeling van de zaak door de relatief competente rechter als zij niet vóór de verweren ten gronde een beroep op de onbevoegdheid doen. Dat geldt ook als niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand van bedoeld recht is gedaan. De rechtsverwerking kan ook het gevolg zijn van onkunde en onoplettendheid. Is dat in strijd met art. 6 EVRM? Gelden ook hier de zware eisen die in de zaak Pfeifer en Plankl werden gesteld? Ik meen dat er voorshands geen reden is om die vraag bevestigend te beantwoorden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 245732 tot 246403.