Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009
Alinea 568 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.
80 De wetgever zag de relatieve onbevoegdheid als een kwestie die in de persoon van de verweerder gelegen was. Volgens de MvT sprak het daarom vanzelf "dat het voorstellen dezer exceptie van den wil des gedaagden afhangt". Zie Joan van den Honert, THz, Handboek voor de Burgerlijke Rechtsvordering, Amsterdam 1839 (§ 155). Vgl. A. Oudeman, Het Nederlandsch Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Deel I, derde druk, Groningen 1863, p. 200 e.v.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 300773 tot 301232.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d | shasum -a 256