Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009
Alinea 598 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413.
110 De stellers van het middel lijken in deze zinsnede ook te lezen dat een verdeling van zaken over de gerechten zoals door het LCM geschiedt, op zich zelf al in strijd is met art. 6 EVRM, dus ook als voor een dergelijke werkwijze wél een afdoende wettelijke grondslag zou bestaan. Ik geloof niet dat de jurisprudentie van het EHRM tot die conclusie dwingt. Als de relatieve bevoegdheid tot de "details" behoort waarvan regeling aan de executieve mag worden overgelaten, dan valt niet direct in te zien waarom de rechterlijke macht dit detail niet zou mogen regelen. Ik merk daarbij op dat de werkwijze van het LCM een legitiem doel dient en dat het belang dat abstracte regels het bevoegde gerecht aanwijzen en de samenstelling daarvan bepalen sterk kan worden gerelativeerd. Zie daarover G. Knigge, "Tot oordelen bevoegd", t.a.p., p. 262/263.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d, en de alinea staat in dat document op bytes 309338 tot 310198.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dcecd2a6ee989a360c77477dd4bbd94e95dbb219f23e50dbf3a1a1e36dd0cd4d | shasum -a 256