Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 december 2009
Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 8 december 2009
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 december 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK0949.
15. De vraag in hoeverre de appelrechter rekening mag houden met ad informandum feiten is meermalen aan de orde geweest in de rechtspraak van de Hoge Raad. Het is daarbij vaste rechtspraak dat het de rechter vrijstaat om bij de strafoplegging rekening te houden met een ad informandum gevoegd feit, wanneer op grond van de door de verdachte ter terechtzitting gedane erkenning aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en wanneer er voorts van mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen (HR 6 febr. 2001, NJ 2001, 184). Is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen, dan mag de rechter met een ad informandum gevoegd feit bij de strafoplegging rekening houden indien hem bij het uitbrengen van de dagvaarding, althans tijdig vóór de aanvang van de terechtzitting, is medegedeeld dat dat feit door het openbaar ministerie met dat doel ter terechtzitting ter sprake zal brengen en op grond van een elders dan ter terechtzitting gedane erkenning aannemelijk is dat hij dit feit heeft begaan (HR 2 juni 1998, NJ 1998, 697).(4)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3a3ec8cd3f23c7ed292133b755f89fa6b7a78d1f55beed111efbf2d0b020a210. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3a3ec8cd3f23c7ed292133b755f89fa6b7a78d1f55beed111efbf2d0b020a210, en de alinea staat in dat document op bytes 11325 tot 12442.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3a3ec8cd3f23c7ed292133b755f89fa6b7a78d1f55beed111efbf2d0b020a210 | shasum -a 256