Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 november 2010
Alinea 120 Parket bij de Hoge Raad 12 november 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 november 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK0355.
2.2.6. Voor het tweede in 2.2.4 bedoelde geval, dat waarin de buitenlands gekentekende auto incidenteel in Nederland is en aldaar door een inwoner van Nederland op de weg wordt gebruikt, zou daarentegen uit de in 2.2.2 en 2.2.3 geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis kunnen worden afgeleid dat geen aanleiding bestaat om die auto tot het 'Nederlandse wagenpark' te rekenen. Er is dan - gelezen vorenaangehaalde passages - geen reden tot heffing van bpm. De auto is als het ware een 'buitenlandse' auto, en het incidentele gebruik in Nederland brengt daar (kennelijk) geen verandering in. Een eenmalig incidenteel gebruik doet de auto blijkbaar nog niet tot het Nederlandse wagenpark behoren. Steun voor deze stelling vind ik overigens ook in het belastbare feit van artikel 1, lid 5, van de Wet zelf: de aanvang van het gebruik van de weg vormt de grond voor verschuldigdheid. Het gebruik van deze term lijkt toch een zekere continuïteit van gebruik te veronderstellen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac3fbd2182da3aba496036c22adc878f0600130207e4fba67e9ed0cf0f1c38bc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac3fbd2182da3aba496036c22adc878f0600130207e4fba67e9ed0cf0f1c38bc, en de alinea staat in dat document op bytes 45432 tot 46420.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ac3fbd2182da3aba496036c22adc878f0600130207e4fba67e9ed0cf0f1c38bc | shasum -a 256