Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2010

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK3571.

13. Daarentegen lijkt mij wél aannemelijk dat men bij de totstandkoming van de onderhavige regeling(en) voor ogen had een verplichting van de notaris dan wel de deurwaarder om als een goed bewaarder voor de belangen van de betrokkenen te waken. In de aanhalingen uit de Parlementaire geschiedenis die ik hiervóór weergaf komt de nadruk gaandeweg te liggen op het feit dat betrokkenen er - door de wet, en in het algemeen belang - op zijn aangewezen dat relevante bedragen langere tijd onder de berusting van de met executie belaste functionaris kunnen (moeten) blijven. De gedachte dat betrokkenen dan een zekere waarborg moet worden geboden, niet alleen dat "hun" geld niet wordt zoekgemaakt maar óók dat daar met een zeker minimum aan zorgvuldigheid mee wordt omgegaan, dringt zich met dat beeld voor ogen enigszins op. Dat de wetgever voor de geest zou hebben gestaan dat het een wél door de Staat moest worden gegarandeerd maar het ander nu juist niet, lijkt mij ook in dat licht het tegendeel van aannemelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be809ac082d7ce945019011a4bea67a55fa5fbd3cde593fb5f971c2f8f02e52f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be809ac082d7ce945019011a4bea67a55fa5fbd3cde593fb5f971c2f8f02e52f, en de alinea staat in dat document op bytes 18297 tot 19330.