Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 maart 2010
Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 5 maart 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK8635.
2.11 De tweede rechtsklacht van middel 2 is eveneens tevergeefs voorgesteld voor zover daarmee enkel de overwegingen van het hof in rov. 18 worden bestreden dat de aard van het dwangmiddel een zekere mate van urgentie impliceert en dat, indien de inbewaringstelling niet onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd, de kwaadwillende gefailleerde alle gelegenheid krijgt zich nog meer of nog langer aan zijn verplichtingen te onttrekken. Deze overwegingen kunnen op zichzelf niet voor onjuist worden gehouden. Dat een zekere mate van urgentie inherent is aan het verzoeken van inbewaringstelling, kan bijvoorbeeld (indirect) worden afgeleid uit de algemene bepaling van art. 586 Rv (vordering tot uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang wordt ingesteld en behandeld als een kort geding). Evenmin valt in te zien op welke grond onjuist is de overweging dat de gefailleerde de mogelijkheid heeft zich aan zijn verplichtingen te onttrekken zolang tenuitvoerlegging van de inbewaringstelling niet plaatsvindt. Onbegrijpelijk zijn de overwegingen evenmin; daarop stuit ook de motiveringsklacht af.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a5bfbfb2b3365235a327cdc2cd8a686ad6ea1eb8db25e95d72044381e166e9be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a5bfbfb2b3365235a327cdc2cd8a686ad6ea1eb8db25e95d72044381e166e9be, en de alinea staat in dat document op bytes 22985 tot 24080.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a5bfbfb2b3365235a327cdc2cd8a686ad6ea1eb8db25e95d72044381e166e9be | shasum -a 256