Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 maart 2010
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 5 maart 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK8635.
2.12.2 Lezing van rov. 19 tegen de achtergrond van rov. 18 wekt de indruk dat het hof ervan is uitgegaan dat een bevel tot inbewaringstelling onmiddellijk dient te worden ten uitvoer gelegd, dat de curator op deze onmiddellijke tenuitvoerlegging dient toe te zien en dat bij gebreke van onmiddellijke tenuitvoerlegging de curator zich in redelijkheid niet meer op het standpunt kan stellen dat de verzochte inbewaringstelling noodzakelijk is om de schuldenaar tot nakoming van zijn verplichtingen te dwingen. Deze overwegingen lijken mij in hun algemeenheid onjuist. Hoewel aan het hof kan worden toegegeven dat een bevolen inbewaringstelling een zekere mate van urgentie impliceert, behoeft dit niet onder alle omstandigheden te betekenen dat onverwijlde spoed bij de tenuitvoerlegging is geboden. De mate van urgentie zal per faillissement verschillen en niet valt bij voorbaat uit te sluiten dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de tenuitvoerlegging nog niet ter hand is genomen; mijns inziens terecht wordt in cassatie van de zijde van de curator betoogd dat tenuitvoerlegging van externe factoren afhankelijk kan zijn (verzoekschrift, p. 8-9). Aan de actieve rol van de curator in de door het hof bedoelde zin, te weten een gehoudenheid om op onmiddellijke tenuitvoerlegging toe te zien, komt daarmee eveneens grond te ontvallen. Hooguit kan in de wettelijke rol van de curator als beheerder van de boedel en als behartiger van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers steun worden gevonden voor de gedachte dat de curator dient toe te zien op onverwijlde tenuitvoerlegging indien het belang van de boedel dit meebrengt, hetgeen afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval. Ook dan blijft evenwel de vraag of het 'verzuimen' toe te zien op onverwijlde tenuitvoerlegging meebrengt dat de curator zich in redelijkheid niet meer op het standpunt kan stellen dat de inbewaringstelling noodzakelijk is om de schuldenaar tot nakoming van diens verplichtingen te dwingen. Het komt mij voor dat, anders dan het hof aan het slot van rov. 19 overweegt, het achterwege blijven van onverwijlde tenuitvoerlegging niet zonder meer betekent dat zin en doel aan de inbewaringstelling zijn komen te ontvallen. De noodzaak bij de inbewaringstelling kan ondanks een verzuim van de curator nog heel wel bestaan en wellicht inmiddels klemmender zijn geworden; mocht de rechter twijfels hebben omtrent de noodzaak van het bevel, dan is het aan de rechter op dat punt tijdens de mondelinge behandeling bij de curator of de rechter-commissaris navraag te doen. Hierbij dient te worden bedacht dat het 'afstraffen' van de curator in de zin dat hem in redelijkheid geen beroep meer toekomt op de noodzaak van inbewaringstelling, in essentie neerkomt op een dubbele afstraffing van de gezamenlijke schuldeisers; eerst door een nalaten van de curator - waardoor de boedel langer dan nodig verstoken blijft van informatie - en vervolgens door afwijzing van de verzochte inbewaringstelling als gevolg waarvan de boedel mogelijk definitief verstoken blijft van informatie.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a5bfbfb2b3365235a327cdc2cd8a686ad6ea1eb8db25e95d72044381e166e9be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a5bfbfb2b3365235a327cdc2cd8a686ad6ea1eb8db25e95d72044381e166e9be, en de alinea staat in dat document op bytes 26025 tot 29122.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a5bfbfb2b3365235a327cdc2cd8a686ad6ea1eb8db25e95d72044381e166e9be | shasum -a 256