Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2010

Alinea 94 Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK9727.

40. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Zoals uit de hiervoor onder punt 21 weergegeven bewezenverklaring valt af te leiden, is de tenlastegelegde overtreding van art. 10, eerste lid, APV Utrecht in de tenlastelegging feitelijk uitgewerkt door de vermelding dat verdachte "deel uit [maakte] van een groep van vijf, althans een aantal, personen (jongeren)", waaraan dan nog de volgende tussen haakjes geplaatste bijzin is toegevoegd: "terwijl hij behoorde tot de aangemerkte en aangeschreven personen, zoals bedoeld in het handhavingsbesluit van de burgemeester van de gemeente Utrecht van 26 september 2007". Deze uitwerking schept verwarring. De vraag is wat de verdachte nu eigenlijk verweten wordt: overtreding van de genoemde APV-bepaling of het negeren van de aanschrijving die de verdachte van de burgemeester ontving? De verdediging lijkt zich hierdoor niet van de wijs te hebben laten brengen en zich consequent op het (juiste) standpunt te hebben gesteld dat het intensieve handhavingsbeleid van de burgemeester aan de inhoud van art. 10, eerste lid, APV Utrecht niets kan toe- of afdoen, welk standpunt meebrengt dat voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van die APV-bepaling irrelevant is of hij al dan niet een schrijven van de burgemeester heeft ontvangen.(22) Of een en ander ook voor het Hof duidelijk is geweest, is een andere vraag. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen in het voetspoor van de tenlastelegging voor het bewijs redengevend geacht dat de verdachte een schrijven van de burgemeester heeft ontvangen en dat hij zich bevond in "het aangewezen gebied waar het samenscholingsverbod van toepassing was". Daar komt bij dat het Hof bij de weerlegging van het verweer dat art. 10 APV Utrecht onverbindend is (zij het in een overweging ten overvloede) betekenis toekent aan de brief die verdachte ontving en bovendien bij de vraag of de "beperking" (van de bewegingsvrijheid) noodzakelijk is, wijst op "de specifieke openbare orde problematiek in de wijk Kanaleneiland-Noord". Het Hof lijkt hier met de noodzakelijk geachte "beperking" te doelen op de beperking die voortvloeit uit het verbod van de burgemeester, en niet op de beperking van de bewegingsvrijheid die uit art. 10, eerste lid, APV Utrecht voortvloeit. De twijfel die aldus rijst aan de zuiverheid van de door het Hof gevolgde gedachtegang onderstreept dat de onderhavige tenlastelegging niet een voorwerp van beslissing oplevert op basis waarvan een heldere en inzichtelijke beantwoording van de vragen van de artt. 348 en 350 Sv gestalte kan krijgen. Helder was de gedachtegang van het Hof mijns inziens pas geweest als het Hof expliciet afstand had genomen van de verwarringwekkende wijze van tenlasteleggen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7003862d4c2570ec21e1a0a0e95cf7b359b701911b9c5807024f565e8aad7594. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7003862d4c2570ec21e1a0a0e95cf7b359b701911b9c5807024f565e8aad7594, en de alinea staat in dat document op bytes 54054 tot 56817.