Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2010

Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL0613.

14. In r.o. 2.1 tot en met r.o. 2.3 heeft het hof - kort gezegd - overwogen dat bijzondere opsporingsmethoden een ernstige inbreuk kunnen betekenen op grondrechten en een risico kunnen vormen voor de integriteit van de autoriteiten belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten, temeer indien de overheid zich voorziet van bijstand door betaalde burgerinformanten. Vervolgens wordt in r.o. 2.4 tot en met 2.6 een aantal omstandigheden genoemd op grond waarvan de CIE naar het oordeel van het hof al in het beginstadium een grotere waakzaamheid ten opzichte van het handelen van [medeverdachte 4] had moeten betrachten. Het gaat hierbij om het feit dat [medeverdachte 4] door de CIE werd betaald (zie r.o. 1.6), een vals 500 eurobiljet voorhanden had, goed op de hoogte was van de overdracht van een aanmerkelijke partij vals geld en binnen de CIE als pro-actieve informant bekend stond (zie r.o. 1.8). Daarbij komt dat [medeverdachte 4] gerund werd door één runner, hetgeen blijkens de overwegingen in r.o. 2.5. en 2.7. naar het oordeel van het hof kennelijk afbreuk doet aan de waarborg met betrekking tot de integriteit van de politie en de verhoging van de objectiviteit van de informatie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee5c686c269bda8d069edcb606edffe4ebaf9f0c07a1001d7b7e504afb24f8ef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee5c686c269bda8d069edcb606edffe4ebaf9f0c07a1001d7b7e504afb24f8ef, en de alinea staat in dat document op bytes 34510 tot 35730.