Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2010

Alinea 75 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL0613.

18. In r.o. 2.8 wordt overwogen dat een en ander tot uitdrukking had moeten komen in zo spoedig mogelijke informatieverschaffing over de toegepaste opsporingsmethode aan het OM. Doordat de CIE dit heeft nagelaten (het gemis aan een tweede runner doet zich gevoelen) heeft het gefaald in het toezicht op [medeverdachte 4] waardoor deze kon handelen zoals hij deed, en waardoor het OM niet tijdig een eigen onderzoek naar de gang van zaken heeft kunnen starten en de andere procesdeelnemers hierover niet tijdig zijn geïnformeerd. Daarmee is het hof afgeweken van de in het requisitoir aangedragen feiten die volgens het OM de handelwijze van de CIE kunnen verklaren: de vervolging staat een andere lezing van de gebeurtenissen voor. Het is aan de feitenrechter om de feiten vast te stellen, waaronder ook de interpretatie van de feiten kan worden begrepen.(3) Kennelijk is het hof uitgegaan van een andere zienswijze op dit punt, wat gelet op het voorgaande uitgebreid is onderbouwd. In deze onderbouwing ligt besloten waarom het hof is voorbijgegaan aan hetgeen door het OM is aangevoerd. Daarin vindt het bedoelde standpunt haar weerlegging.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee5c686c269bda8d069edcb606edffe4ebaf9f0c07a1001d7b7e504afb24f8ef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee5c686c269bda8d069edcb606edffe4ebaf9f0c07a1001d7b7e504afb24f8ef, en de alinea staat in dat document op bytes 39230 tot 40387.