Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2010
Alinea 158 Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL8513.
Dat neemt echter niet weg dat de voorgaande (sub)onderdelen elementen van de gedachtegang van het hof zodanig aantasten, dat die gedachtegang niet (langer) de conclusie kan dragen dat van onmiskenbare onverbindendheid van de maatregel sprake is. Waar het hof zich mede heeft gebaseerd op het afbreuk dat de maatregel zou doen aan de harmonisatie van emissienormen die (mede) door de Verordening wordt nagestreefd, wijst subonderdeel 1.3 naar mijn mening terecht op de slotzin van overweging 19 van de preambule, waaruit blijkt dat de communautaire wetgever niet aan gedifferentieerde, aan uitstoot gerelateerde voertuigbelastingen in de weg heeft willen staan en het (eventuele) afbreuk dat zulke belastingen aan de beoogde harmonisatie doen kennelijk voor lief heeft willen nemen. Waar het hof zijn oordeel dat de maatregel de door de Verordening voorziene termijnen frustreert, kennelijk heeft gebaseerd op de feitelijke vaststelling dat de maatregel nog niet aan de nieuwe eisen beantwoordende auto's "onverkoopbaar" zou maken, klaagt onderdeel 5 naar mijn mening terecht over de validiteit van deze feitelijke vaststelling in het licht van de stellingen van de Staat; daarbij is van belang dat de eis van een onmiskenbare onverbindendheid naar mijn mening niet slechts een buiten twijfel staande juistheid van het daartoe strekkende rechtsoordeel betreft, maar ook het buiten twijfel staan van de aan dat rechtsoordeel ten grondslag liggende feiten. Onderdeel 6 bestrijdt naar mijn mening terecht dat het hof voor de ontoelaatbaarheid van de maatregel kennelijk een mogelijk cumulatief effect van die maatregel met door andere (grote) lidstaten te treffen vergelijkbare maatregelen van belang heeft geacht, zonder dat het de voorzienbaarheid en de effecten van dergelijke, door andere lidstaten te treffen maatregelen heeft vastgesteld. Onderdeel 7 ten slotte legt bloot dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de Verordening slechts binnen de grenzen van art. 12 voor gedifferentieerde, aan uitstoot gerelateerde voertuigbelastingen ruimte zou laten, en aldus de (in elk geval grotere) ruimte die de Verordening voor aan uitstoot gerelateerde voertuigbelastingen laat, heeft miskend. Bij die stand van zaken houdt het in rov. 3.11, in fine, vervatte oordeel dat de maatregel onmiskenbaar onverbindend is, naar mijn mening geen stand.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cdd147e9968a58f7def3b46c94a026d4040633b16fac3cd617ee6735a0fdadd0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cdd147e9968a58f7def3b46c94a026d4040633b16fac3cd617ee6735a0fdadd0, en de alinea staat in dat document op bytes 99736 tot 102096.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cdd147e9968a58f7def3b46c94a026d4040633b16fac3cd617ee6735a0fdadd0 | shasum -a 256