Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juli 2010

Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 9 juli 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juli 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM6076.

5.2.3. Naar mijn mening is het Hof bij zijn oordeel niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Op het moment dat de schadeloosstelling werd uitgekeerd, was een vorderingsrecht tot teruglevering nog niet ontstaan. De mogelijkheid om dit recht uit te oefenen ontstaat ingevolge artikel 61 Ow immers eerst drie jaar nadat het vonnis van onteigening kracht van gewijsde heeft verkregen (zie 5.1.2).(24) Reeds om die reden kan het recht op terugvordering met de uitkering van de schadeloosstelling niet zijn verdeeld. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te betogen dat met de uitkering van de schadeloosstelling de gemeenschap(pen) is (zijn) ontbonden c.q. verdeeld, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit betekent mijn inziens dat er vanuit moet worden gegaan dat het recht om het perceel terug te vorderen uitsluitend aan alle deelgenoten van de gemeenschap(pen) toekomt. [Eiser] stelling dat hem dit recht zou toekomen omdat hij de laatste en enige bewoner van het onteigende zou zijn vindt geen steun in het recht. Uit artikel 61 Ow volgt immers dat dit recht alleen toekomt aan de onteigende partij, zijnde in casu de deelgenoten van een gemeenschap.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3fc2dcedd39793b4f8d73a994421500949dbeeae1a13aff0fdf55873342eb321. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3fc2dcedd39793b4f8d73a994421500949dbeeae1a13aff0fdf55873342eb321, en de alinea staat in dat document op bytes 26056 tot 27237.