Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010

Alinea 86 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM9252.

In geschil was of de daarbij behaalde winst belast diende te worden, op basis van de stelling dat belanghebbende met de activiteiten het normale vermogensbeheer te buiten ging. De fiscale beoordeling van deze vraag viel in de procedure uiteen in twee onderdelen. In de eerste plaats diende de vraag te worden beantwoord of art. 3.91, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, voor de toets van de belastbaarheid van de werkzaamheden van belanghebbende een uitbreidende werking kent ten opzichte van de Wet IB 1964. In de tweede plaats diende - bij ontkennende beantwoording van vraag één - te worden beoordeeld of binnen het gegeven feitencomplex tot het eindoordeel van belastbaarheid van de verkoopopbrengst kon worden gekomen. In een eerdere publicatie over deze zaak heb ik dienaangaande kort weergegeven de volgende stellingen ingenomen: Het Hof baseert de fiscale toets ten onrechte op art. 3.91, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, omdat aan die bepaling geen uitbreidende werking toekomt ten opzichte van de 'oude leer' uit de Wet IB 1964. Toetsing zou derhalve slechts moeten plaatsvinden op basis van art. 3.90 Wet IB 2001, waarmee meteen gezegd is dat die toets niet anders verloopt dan in de vaste jurisprudentie over uitpondkwesties onder de Wet IB 1964 het geval is geweest. Ik noem in dit verband het bekende arrest HR 15 juli 1983, nr. 21 830, BNB 1983/252 (met noot P. den Boer ). Of belanghebbende bezig is met uitponden is dus niet relevant. Slechts relevant is of belanghebbende op een zodanige wijze actief is dat huurders eerder vertrekken dan men gebruikelijkerwijs mag verwachten wanneer men een verhuurd pand koopt, of dat het jaarrendement vanzelfsprekend van tijd tot tijd positief wordt beïnvloed door de verkoop van een autonoom leeggekomen woning. Van beide varianten is het immers slechts de eerste waarin wordt voldaan aan de uit genoemde jurisprudentie blijkende eis voor belastbaarheid dat niet slechts een voordeel wordt gerealiseerd dat voortvloeit uit omstandigheden die als een feit van algemene bekendheid kunnen worden gekarakteriseerd, maar een voordeel dat voortvloeit uit de arbeid van belastingplichtige. De stelling van het Hof dat - zo belanghebbende niet daadwerkelijk uitpondde - zijn werkzaamheden daarmee zozeer overeenstemden dat daarmee meer dan normaal vermogensbeheer werd verricht, is onbegrijpelijk. Gegeven het feit dat uitponden als zodanig (nog) geen heffing veroorzaakt, zegt ook een daarmee overeenstemmende werkzaamheid (nog) niets. Mijn betoog heb ik destijds afgesloten met een opsomming van feiten en omstandigheden anders dan het actief uitponden, die een aanleiding hadden kunnen vormen voor belaste verkoopwinsten aan de kant van belanghebbende, zoals het splitsen, de financiering met vreemd vermogen, de snelheid van de verkopen, het 'herhaaleffect' van zijn handelingen, en de aanwezigheid van kennis, ervaring en deskundigheid als verklarende factor voor (de voorzienbaarheid van) het voordeel. Het Hof had die vraagstelling verder moeten uitdiepen en op basis van feiten een gemotiveerd oordeel moeten vellen, waarbij relevant is welk rendement nu precies extra is behaald als gevolg van specifiek welke handelingen van belastingplichtige. Ik heb vervolgens de hoop uitgesproken dat een arrest zou volgen waarin 's Hofs oordeel als onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd terzijde zou worden gesteld, met eventueel een verwijzingsopdracht, teneinde een ander Hof te laten beoordelen of de feiten uit het dossier ten aanzien van de genoemde potentieel 'voordeelverklarende elementen' belastingheffing op basis van art. 3.90 Wet IB 2001 kunnen dragen.Op het punt van de betekenis van art. 3.91, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, heeft de Hoge Raad thans tot mijn grote genoegen geoordeeld dat inderdaad aan dat artikel geen uitbreidende werking toekomt. In r.o. 3.3 geeft de Hoge Raad aan dat uitponden niet zonder meer tot belastbaar inkomen leidt, maar dat daarvoor nodig is dat die uitponding gepaard gaat met werkzaamheden die naar hun aard en omvang onmiskenbaar zijn gericht op het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen die het bij normaal (actief) vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc4cde219e1882fe4b53b4b4ebdebedb48b5dd2a64ebf12581501377a2f920c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc4cde219e1882fe4b53b4b4ebdebedb48b5dd2a64ebf12581501377a2f920c2, en de alinea staat in dat document op bytes 34273 tot 38493.