Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010

Alinea 86 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO0396.

3. In hoofdstuk 5 van zijn conclusie gaat de advocaat-generaal nog in op het feit dat van het gevorderde bedrag is kennisgegeven door het college in plaats van door de aangewezen heffingsambtenaar. De Hoge Raad wijdt er geen woord aan, zelfs geen korte verwijzing naar HR 2 december 2005, nr. 40 079, BNB 2006/69c* inz. Heerde, onder 3.5. Op het bezwaarschrift tegen het gevorderde bedrag - dat voor de toepassing van de AWR bij heffing 'op andere wijze' de plaats inneemt van de aanslag (zie art. 233a Gemeentewet) - is uitspraak gedaan door het sectorhoofd. Was deze ambtenaar daartoe wel bevoegd? Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen (art. 6:4 Awb), dat daarop zelf beslist (art. 7:10). Het besluit is hier het gevorderde bedrag. Hoe daarvan wordt kennisgegeven, laat de Gemeentewet ter regeling over aan de raad. Bij aanslagbelastingen heeft de ambtenaar bedoeld in art. 231, tweede lid, onderdeel c, Gemeentewet de taak die art. 8, eerste lid, Invorderingswet 1990 (Iw) opdraagt aan de ontvanger: de belastingaanslag bekendmaken aan de belastingschuldige. Juist echter bij 'op andere wijze' geheven gemeentebelastingen blijft art. 8, eerste lid, Invorderingswet 1990 buiten toepassing (art. 249 Gemeentewet). Art. 233a voormeld vult deze leemte met een medebewindstaak aan de raad. Het voorziet daarbij tevens in delegatie van regelgevende bevoegdheid aan het college. De hofuitspraak die aan het zo-even genoemde arrest-Heerde voorafging, zette deze (en andere) puntjes op de i, maar dat was, zoals wij inmiddels weten, aan de Hoge Raad niet zo besteed. Die hield zich liever aan de koers die hij had uitgezet in het arrest-Haren (HR 13 december 2000, nr. 35 346, na conclusie A-G Ilsink, BNB 2001/56*). Daar was een bevoegdheidsoverschrijding door het college, dat daar ambtshalve een waardebeschikking had vernietigd, als 'vormfout' met behulp van art. 6:22 Awb passabel. Hierbij had de Hoge Raad wellicht het oog op art. 1, tweede lid, Wet Woz (tekst 1998), dat het college belast met de uitvoering van deze wet, voorzover die niet specifiek aan de gemeentelijke heffingsambtenaar is opgedragen. Kennelijk hieruit leidde de Hoge Raad af, dat het college aanwijzingen over de wetsuitvoering kon geven aan de ondergeschikte heffingsambtenaar. Die dekking biedt de Gemeentewet niet voor eenvoudige heffingsbevoegdheden. Deze zijn opgedragen aan de heffingsambtenaar, die daarvoor als zelfstandig bestuursorgaan in het leven werd geroepen toen de Provincie- en de Gemeentewet werden aangepast aan de derde tranche Awb, die delegatie aan ondergeschikten niet meer toeliet (art. 10:14 Awb). Voor het oude art. 232 Gemeentewet kwam in 1998 het nieuwe in de plaats, dat uitvoerig regelt welke delegaties nog wel mogelijk zijn. (...)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be7c871dccff933737ce91d25aa7bc711b3c2cec374b7724941091765efb4e09. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be7c871dccff933737ce91d25aa7bc711b3c2cec374b7724941091765efb4e09, en de alinea staat in dat document op bytes 24581 tot 27417.