Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO1821.

2.9 Onderdeel 3 betoogt dat de door het hof in de rov. 4.7-4.9 gegeven beslissing ook daarom onjuist, althans onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met redenen omkleed is, nu de door het hof in rov. 4.8 genoemde omstandigheden (kort gezegd: het delict waarvoor de werknemer is veroordeeld, heeft zich geheel in de privésfeer voltrokken; niet gebleken is dat van de strafbare handelingen enige negatieve invloed op het functioneren als werknemer is uitgegaan; ABN AMRO heeft geen directe schade geleden), tezamen met de in rov. 4.9 genoemde duur van het dienstverband en de leeftijd van de werknemer, geen, dan wel onvoldoende inzicht, bieden in 's hofs gedachtegang waarin het door ABN AMRO aangevoerde ten aanzien van de ernst van het door de werknemer begane delict en/of de omstandigheid dat op de werkvloer bij terugkeer van de werknemer onrust zou ontstaan en/of dat het vertrouwen van ABN AMRO in de werknemer is geschaad, in het licht van het eerder door het hof overwogene van onvoldoende gewicht is. Door ABN AMRO is gewezen op het ernstige strafbare feit waarop veroordeling en detentie betrekking hadden (memorie van grieven onder 14, 16-18); voorts is erop gewezen dat mede gezien de aard van het strafbare feit bij terugkeer van de werknemer op de werkvloer onrust zou ontstaan (memorie van grieven onder 17 en 20) en dat het vertrouwen in de werknemer is geschonden (memorie van grieven onder 21). Deze wezenlijke argumenten zijn volgens het onderdeel door het hof in rov. 4.9 terzijde geschoven met (slechts) de constatering dat zij in het eerder overwogene en besliste "geen verandering" brengen, respectievelijk dat zulks "evenmin tot een ander oordeel (kan) leiden". Voor zover het hof heeft miskend dat deze door ABN AMRO aangevoerde (wezenlijke) argumenten (evenzeer) een (belangrijke) rol spelen bij beantwoording van de vraag of sprake is van de situatie dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, is het hof volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Voor zover het hof wel van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is de beslissing onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd, nu het door ABN AMRO aangevoerde (ten minste) zodanig essentieel is dat in het licht van het in de rov. 4.8 en 4.9, eerste gedeelte, overwogene die argumenten niet terzijde konden worden geschoven op de wijze als dat is gebeurd (en hiervoor aangeduid).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d1363ff4915c44bc2be791c9b0dadb4e9dd6225e7d532beb9e21936859166bca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d1363ff4915c44bc2be791c9b0dadb4e9dd6225e7d532beb9e21936859166bca, en de alinea staat in dat document op bytes 28423 tot 30887.