Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010
Alinea 128 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO1979.
59. Dat betekent dan dat [eiser] c.s. in deze instantie een rechtens vrij vergaande stelling verdedigen: het aan een derde, zoals TMF c.s., toerekenen dat de schijn bestaat dat deze verplichtingen op zich heeft genomen waar een ander - niet zijnde de beweerde contractuele wederpartij - op meende te mogen afgaan, is niet zo alledaags (al dringen zich allicht parallellen op met instituten waarmee wij meer vertrouwd zijn, zoals het genus van de schijnbaar kenbaar gemaakte wilsuiting van art. 3:35 BW en het species daarvan: de schijn van volmachtverlening van art. 3:61 lid 2 BW).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0d4f77137ca0d1b79103a2463dd748e9b7dd12f7dfd06b2d8fa280b2eb6d6e26. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0d4f77137ca0d1b79103a2463dd748e9b7dd12f7dfd06b2d8fa280b2eb6d6e26, en de alinea staat in dat document op bytes 58244 tot 58839.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0d4f77137ca0d1b79103a2463dd748e9b7dd12f7dfd06b2d8fa280b2eb6d6e26 | shasum -a 256