Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010
Alinea 225 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO3356.
3.9 Art. 261 en 283 Rv. geven m.i. het kader waarbinnen deze zaak beoordeeld dient te worden. In rov. 3.6 van de bestreden beschikkng heeft de Ondernemingskamer allereerst overwogen dat een intrekking van het oorspronkelijke verzoek tot een onderzoek in dat stadium niet meer tot gevolg heeft dat de onderzoeksprocedure is geëindigd. De Ondernemingskamer zou hiermee bedoeld kunnen hebben dat zij van oordeel is dat bij het geven van een bevel tot een onderzoek sprake is van een eindbeschikking in de zin van art. 283 Rv. Na het wijzen van een dergelijke eindbeschikking zou intrekking van het verzoek op zich zelf niet het effect van beëindiging hebben. Die gedachtegang volgt de Ondernemingskamer m.i. niet. Zij meent dat het na het bevelen van een onderzoek ter harer beoordeling staat of de enquêteprocedure na intrekking van het oorspronkelijke verzoek al dan beëindigd dient te worden. De bevoegdheid van de Ondernemingskamer tot het op basis van een belangenafweging niet toelaten van de intrekking van het oorspronkelijke verzoek tot een onderzoek is m.i. niet in art. 283 Rv te lezen. Daarop volgt in rov. 3.6 de passage: "Dit oordeel berust op de eigen aard van de enquêteprocedure, waarbij naast de belangen van de verzoekers, aandeelhouders, bestuurders en commissarissen (de belangen die in deze zaak aan intrekking respectievelijk het verzoek tot beëindiging ten grondslag zijn gelegd) ook andere belangen, waaronder ten minste die van de rechtspersoon, maar ook maatschappelijke belangen een rol (kunnen) spelen." Kennelijk leidt de Ondernemingskamer de bevoegdheid om het enquêtegeding na een belangenafweging al dan niet na intrekking van het oorspronkelijke verzoek voor geëindigd te verklaren af uit Boek 2 BW. Die bevoegdheid is niet in Boek 2 BW te lezen. Kennelijk kent de Ondernemingskamer zich buiten art. 283 Rv en buiten Boek 2 BW om een bevoegdheid toe om ondanks intrekking van het oorspronkelijke verzoek het onderzoek na een belangenafweging niet voor geëindigd te verklaren. Ik vermoed overigens dat de Ondernemingskamer niet de bedoeling heeft gehad om art. 283 Rv helemaal buiten toepassing te laten bij een procedure naar aanleiding van een enquêteverzoek, maar dat pas doet in het stadium dat zij in een eindbeschikking een onderzoek heeft gelast. Helemaal zeker weet ik dat niet, omdat de Ondernemingskamer in zijn bestreden beschikking art. 283 Rv. in het geheel niet noemt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54dbff2e45fc198a46fd3097faa15c617fd535d3fa7e5ef16222f0f5f69953af. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54dbff2e45fc198a46fd3097faa15c617fd535d3fa7e5ef16222f0f5f69953af, en de alinea staat in dat document op bytes 77586 tot 80022.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/54dbff2e45fc198a46fd3097faa15c617fd535d3fa7e5ef16222f0f5f69953af | shasum -a 256