Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Alinea 283 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO3356.

3.38 Wellicht zou men nog kunnen betogen dat een onderzoek niet beëindigd moet worden als het motief voor het intrekkingsverzoek louter van vermogensrechtelijke aard is, zoals het geval is als de verzoeker intrekt naar aanleiding van een schikking waarin financiële compensatie wordt geboden. De Hoge Raad heeft in haar Unilever-beschikking(43) immers vastgesteld dat het beslechten van geschillen van louter vermogensrechtelijke aard niet tot de door de wetgever beoogde doeleinden behoorde. Ik meen dat dit argument niet van toepassing is op een verzoek om intrekking. Zoals uit de Unilever-beschikking blijkt, betreft deze jurisprudentie de doeleinden van de enquêteprocedure en de vraag of een verzoek moet worden toegewezen, dus de ingang tot de procedure. Die vraag moet onderscheiden worden van andere vragen binnen het enquêterecht, bijvoorbeeld de vraag of iemand belanghebbende is dan wel of een verzoeker zijn verzoek kan intrekken. Bij een intrekkingsverzoek wil men juist van de procedure af. Als de vermogensrechtelijke argumenten (lees in casu: de schikking) zich eerder had voorgedaan, had dat wellicht een reden kunnen vormen niet tot het verzoeken om een onderzoek over te gaan. Ik zie hierin geen reden om de verzoeker de intrekking te ontzeggen en nog minder om hiertoe het algemene civiele procesrecht terzijde te schuiven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54dbff2e45fc198a46fd3097faa15c617fd535d3fa7e5ef16222f0f5f69953af. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54dbff2e45fc198a46fd3097faa15c617fd535d3fa7e5ef16222f0f5f69953af, en de alinea staat in dat document op bytes 113434 tot 114796.