Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010
Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO3526.
4.10. Indien de rechter, teneinde de inhoud van een overeenkomst te kunnen vaststellen, de bedoeling van partijen moet opsporen, is hij vrij in de keuze van de middelen die hij daartoe wil bezigen(7). Wanneer het mogelijk is een gemeenschappelijke partijbedoeling vast te stellen, geniet zulks de voorkeur. Dit zal evenwel niet steeds het geval zijn. Soms stemt de overeenkomst, zoals zij door uitleg wordt vastgesteld, niet volledig overeen met hetgeen (beide) partijen hebben bedoeld(8). De wijze waarop de rechter te werk moet gaan bij het uitleggen van een overeenkomst, is niet door de wetgever geregeld. Hij kan - met name bij het opsporen van de bedoeling van partijen - met allerlei feiten en omstandigheden (gezichtspunten) rekening houden. Indien hij dit nodig oordeelt, kan de rechter omtrent het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit de bedoeling van partijen kan blijken, getuigenbewijs gelasten. De rechter is voorts niet verplicht bij zijn uitleg andere dan door partijen over en weer naar voren gebrachte gezichtspunten in zijn overwegingen te betrekken(9).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a67a0f5b5569f57ccc7432e849242b946396111a77614f9faf236cbc2e6f03a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a67a0f5b5569f57ccc7432e849242b946396111a77614f9faf236cbc2e6f03a, en de alinea staat in dat document op bytes 25059 tot 26153.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8a67a0f5b5569f57ccc7432e849242b946396111a77614f9faf236cbc2e6f03a | shasum -a 256